Maak van je reptielenbrein een brave hondenbrein

Zit je in bepaalde situaties in een spit-second in de stress? Verlamd of klaar om te vluchten?

Boosdoener is je amygdala. De amygdala is een orgaan in je hersenen dat je aanzet om na 0,7 seconden te beslissen of je moet rennen voor je leven, je doodstil moet houden of dat het veilig is.

Deze beslissing neem je op basis van ervaringen uit het verleden. Deze oude ervaringen zeggen natuurlijk niks over de werkelijke dreiging in het heden. In het verleden opgedane ervaringen bieden geen garantie voor de toekomst! Je verstand kan niet bepalen hoe het in het heden is. Je gevoel kan dat wel! Je gevoel kan vooruit voelen… Wat goed voelt is goed, wat niet goed voelt is niet goed.

Door je bewust te zijn van je gevoel vóórdat de amygdala met je op de loop gaat, kun je tegen jezelf zeggen: “Er is niets aan de hand.” “All is well”. Zo voorkom je dat je reptielenbrein roet in het eten gooit. 

Als je in een bepaalde situatie die zich vaker voordoet in de stress, paniek of vluchtreactie terechtkomt, kun je jezelf zo resetten, dat je in de toekomst bij een gelijke situatie niet meer in paniek schiet. Je herprogrammeert jezelf. Je traint je reptielenbrein in het brein van een brave hond, die naar je luistert!

Uiteraard vergt dit bewustwording van de situatie, je echte gevoel en je reptielenbrein daadwerkelijk een halt toeroepen enige oefening.

Het begint met de wilsdaad je hiervan bewust te willen worden. Je geeft jezelf de opdracht steeds als je in de stress bent terechtgekomen je dit te realiseren. Zo ga je achteraf zien wanneer je in de val bent gelopen. Je zult merken dat het je steeds eerder opvalt. Zo ‘verkort’ je de tijd steeds meer totdat het lukt vóórdat de 0,7 seconden voorbij zijn!

Veel succes!

Wil je een beetje hulp? Neem gerust contact op!

Hoe je corpus callosum zorgt dat je brein in evenwicht is

Het corpus callosum is een structuur in de hersenen die de twee grote hersenhelften (de linker en de rechter) met elkaar verbindt en zorgt dat ze informatie kunnen uitwisselen.  Je kunt deze verbinding activeren door tegelijk een functie van de ene helft en van de andere helft verbonden toe passen b.v. beeld en rekenen.

Als je denkt aan het woord ‘paard’ , zie je dan de letters van het woord staan of hoor je het woord zonder beeld, of zie je meteen een visualisatie van paarden in allerlei varianten? Woorddenkers hebben een primaire voorkeur voor het gebruik van de linkerhersenhelft. Beelddenkers hebben een primaire voorkeur voor de rechterhersenhelft.

De functies van de linkerhersenhelft worden gekenmerkt door opeenvolging en orde, terwijl de functies van de rechterhersenhelft holistisch en diffuus zijn. De linkerhersenhelft kan delen samen zetten in een georganiseerd geheel terwijl de rechterhersenhelft instinctief eerst het geheel ziet.

Om beide hersenhelften te leren gebruiken kan je oefeningen doen waarbij de dominant gebruikte hersenhelft al “bezet” is door bepaalde handelingen die verricht worden. Hierdoor wordt het hoofd zogezegd verplicht om de andere hersenhelft te gebruiken bij het oefenen van bijvoorbeeld de tafels.

Creatieve personen hebben de vaardigheid om de beide hersenhelften in evenwicht te brengen en om af te wisselen tussen beide. Een soortgelijke afwisseling is ook beschreven in studies van hoogbegaafde kinderen (West, 1991). Hoogbegaafde kinderen kúnnen ook op een logische manier gaan leren, maar dit is voor hen een vervelende klus. Leren doen ze het liefst in één geheel, intuïtief en in grote stappen. De meeste hebben dan ook een voorkeur voor het visueel-ruimtelijk denken.

Er zijn twee groepen binnen de hoogbegaafde visueel-ruimtelijke leerlingen te herkennen:

1. kinderen die uitblinken op visueel-ruimtelijk gebied (rechterhersenhelft) en hoog ontwikkeld zijn op sequentiële vaardigheden (linkerhersenhelft)

2. kinderen die uitblinken op visueel-ruimtelijk gebied (rechterhersenhelft, maar niet in het gebruik van hun sequentiële vaardigheden (linkerhersenhelft.)

De laatste groep van hoogbegaafde kinderen wordt meestal niet gezien op school en vormt een risicogroep voor onderpresteren. Zij hebben dikwijls  problemen met de typisch schoolse vakken zoals spelling, schrijven en rekenen, wat soms ook automatiseringsproblemen wordt genoemd, maar in wezen meestal een probleem is van verkeerde leerstijl. Heel af en toe wordt ze ook een label van dyslexie opgespeld, maar wordt het door het aanleren van een visuele methode om woordbeelden op te slaan meestal wel snel verholpen.

In ons huidig onderwijssysteem komt de auditief-sequentiële leerstijl voortdurend aan bod, maar er is behoefte aan een visueel-ruimtelijke lesmethode om ook deze groep van kinderen aan te spreken in hun manier van leren.

We hebben allemaal twee hersenhelften, dus waarom zouden we de instructie niet richten op beide helften zodat het merendeel van de kinderen van beide leerstijlen kan profiteren? Met een paar wijzigingen in de manier van lesgeven kan je ook de groep visueel-ruimtelijk lerenden bereiken. Het gebruik van overheadprojectors of recenter de digiborden; het geven van demonstraties om deze kinderen te leren door te zien; zelf-ontdekkend leren door ervaring; het gebruik van computers in de klas; vragen van toetsen niet alleen mondeling geven, maar ook schriftelijk aanbieden; werken met time-timers die de tijd visueel maken; eerst het overzicht aanbieden en dan pas terugkeren naar de afzonderlijke stapjes (top-down);… zijn enkele van de vele mogelijkheden die kunnen aangeboden worden in de klas.